Wat is het effect van een genetische verbetering voor een hogere productie?

Op sommige bedrijven hanteren bewust een relatief hoog afvoerpercentage. Verondersteld wordt dat de genetische verbetering voor productie economisch interessanter is dan levensduurverlenging. Een vaars met een hogere productie-aanleg zal in minder lactaties hetzelfde geproduceerd hebben. Dat laatste klopt wel, maar dat levensduur minder belangrijk is, is een verkeerde veronderstelling.

Levensduur of fokkerij?
Een koe produceert op volwassen leeftijd gemiddeld zo’n 25% meer dan als vaars. Daarna blijft de productie nog even rond de 100%, waarna ze geleidelijk aan daalt. Een koe met een langjarige gemiddelde productie van 8.500 kg heeft in potentie een topproductie van ca. 11.000 kg. Als ze dat niet haalt is er mogelijk iets niet optimaal in de bedrijfsvoering.
Over meerdere jaren wordt gerekend met gemiddelde productietoename door de fokkerij met ongeveer 85 kg per jaar. Met de juiste toepassing van genomics zou het mogelijk iets sneller kunnen. Dan nog duurt het flink wat jaren voordat op bedrijfsniveau de productie van die van een volwassen koe is bereikt. De fokkerij wint het dus niet van de levensduur.

Levensduur én fokkerij!
De combinatie van een goede genetische aanleg voor levensduur met die voor productie geeft uiteindelijk het beste resultaat. De daarmee behaalde levensproductie is veel meer bepalend voor het economisch resultaat dan de jaarproductie. Fokken voor levensduur in combinatie met een hogere productie zou dus het doel moeten zijn. Maar in de praktijk zien we dat de aanleg voor een hogere productie sneller vooruit gaat dan de aanleg voor een langere levensduur. Het streven naar een steeds hogere productie vermindert de levensduur. Een gemiste kans dus.

Beperkte tijdwinst
In de figuur is een voorbeeld met drie productieniveaus aangegeven: een koe met een actuele langjarige gemiddelde productie van 8.500 kg melk (blauw), een vaars met 150 kg melk per jaar meer (rood) en een met 500 kg meer (grijs). Die extra productie is ook hier weer per lactatie oplopend en begint met ca. 83% daarvan en stijgt naar ruim 100% in de 5e / 6e lactatie. De vaars met +150 kg heeft als koe slechts een paar maanden eerder evenveel geproduceerd als de oudere koe. De 500+ vaars heeft eenzelfde levensproductie gerealiseerd in minder dan een halve lactatie eerder.

Levensduur bepalend
De uiteindelijke verschillen in levensproductie zijn niet erg groot. Bij een gemiddelde productieverhoging van 150 kg is dat na 9 lactaties 1.350 kg melk en bij 500 kg is dat 4.500 kg melk. Het gaat dan om een paar maanden extra levensduur bij de normale productie. Dus een echt langere levensduur tikt veel harder aan. Een oudere koe heeft bewezen sterk en gezond te zijn. Dus als er geen heel goede reden is om haar af te voeren, dan is het beter haar nog even aan te houden. Zeker omdat haar bijdrage in kg melk aanzienlijk hoger is dan die van een nieuwe vaars.

 
De levensproductie stijgt sneller door verlenging van de levensduur
dan door de genetische verbetering. De productie op volwassen leeftijd
is 25% hoger dan de productie als vaars. Een genetische verbetering
van 5% gecombineerd met een levensduur van 5 lactaties kan dat
evenaren. Maar dat wordt zelden gerealiseerd, ook niet met genomics.