De invloed van de levensduur op de productie

Een koe begint als vaars met een productie van ca. 82% van de gemiddelde jaarproductie en 75% van haar eigen potentiële topproductie op volwassen leeftijd. Bij een vaarzenproductie van 7.500 kg ligt de top op ca. 9.375 kg. Ze is volwassen in de 5e / 6e lactatie en breikt dan haar topproductie, waarna de productie weer begint te dalen (in de figuur de blauwe lijn). De totale levensproductie neemt daarna weliswaar verder toe, maar de toename per jaar wordt geleidelijk aan minder (in de figuur de oranje lijn). 

Langer aanhouden?
Wordt een koe langer aangehouden, dan daalt de jaarproductie, maar de levensproductie stijgt wel verder. Die wordt in verhouding weliswaar minder, maar kan nog wel aanzienlijk zijn. Wordt een koe eerder afgevoerd, dan produceert ze, uitgaande van dezelfde genetische aanleg, minder dan in totaal 100% van haar genetische aanleg voor levensproductie. Dat is wat ze in principe, zonder belemmeringen zou kunnen bereiken. Maar de omstandigheden en de bedrijfsvoering bepalen of ze dat waar kan maken. De vraag is natuurlijk ook of het economisch wel verstandig is om een koe die een genetische aanleg heeft om zeer oud te worden, ook daadwerkelijk zo lang aan te houden. De jaarproductie daalt immers steeds verder.

De topproductie is niet bepalend voor de vervanging
In de figuur is ook te zien dat de jaarlijkse toename van de totale productie na de 6e lactatie begint af te nemen (blauwe lijn). De productie is op dat moment nog wel steeds hoger dan die van een vaars. En draagt dus meer bij aan het economisch resultaat. Tot op het moment dat de productie lager wordt dan die van een vaars, is het moment gekomen om na te denken over vervanging om economische redenen. Maar niet alleen de melkproductie telt. Alle economische effecten meegerekend, blijkt dat pas ongeveer bij de 9e lactatie te zijn. Een oudere, volwassen koe brengt daarnaast ook nog andere voordelen met zich mee, zoals arbeidsgemak, waardoor de overweging niet puur economisch hoeft te zijn.

Eerst de lagere vaarzenproductie goed maken
De langjarig gemiddelde melkproductie, en dus ook de levensproductie, wordt vooral bepaald vanaf de 4e lactatie. Dan worden de hoogste producties gehaald. Kijken we naar de totale gerealiseerde levensproductie, dan zien we dat de 100% van de genetische potentie pas wordt bereikt als de koe al over haar topproductie heen is. Dat komt omdat ze eerst nog de lagere producties in de eerste lactaties goed moet maken. Ze is dan al over haar top heen maar produceert nog steeds meer dan de rollend jaargemidelde productie. Langer aanhouden tot na de top loont dus. Wordt een koe eerder afgevoerd, dan zal ze de genetische potentie niet waarmaken. Wees dus zuinig op je koeien en voer een koe nooit af als je denkt dat ze de volgende lactatie nog mee kan. 

De productie per jaar neemt toe met het ouder worden van de koe. Tot op de volwassen leeftijd. De volwasen leeftijd en productie worden bereikt rond de vijfde lactatie. 
De volwassen productie is gemiddeld 
zo'n 25% hoger dan de productie als vaars. 
De bijdrage aan de 
levensproductie is tot aan de 9e lactatie stijgende. Zolang een koe nog meekan is er geen enkele reden om haar te vervangen door een vaars.



Voor meer info over de leeftijd en de productie klik hier

Terug naar het overzicht voor economie