Hoe ver gaat levensduurverlenging

WAT IS DE OPTIMALE LEVENSDUUR OP UW BEDRIJF?

De levensduur van de melkveestapel hangt af van het uitvalsrisico van de koeien in elke lactatie. Volgens het KBL-principe® wordt dat risico bepaald door drie factoren: de koProductieverloop lactatiese, de boer en de leefomgeving. Die verschillen per bedrijf en dat betekent dat de haalbaarheid van levensduurverlenging bedrijfsspecifiek is. Met andere woorden, niet voor elk bedrijf zal dezelfde levensduur haalbaar zijn, gelden dezelfde maatregelen of is het even makkelijk.

Hoe ver gaat levensduurverlenging?
Een langere levensduur biedt veel voordelen, maar wat is optimaal en wat is redelijkerwijs haalbaar? Waar ligt het punt dat het meer geld en moeite kost om door te gaan dan dat het wat oplevert? Uit eerder onderzoek kwam naar voren dat de meest economische leeftijd van een koe 8 jaar zou zijn. Dat is een productieve levensduur (leeftijd minus opfokperiode) van gemiddeld zo’n 5,8 tot 6 jaar. Dat komt, bij een tussenkalftijd van 400 dagen, overeen met  ca. 5,4 lactaties. Daar hoort een vervangingspercentage bij van rond de 17% en ondanks het ouder worden van de koeien, moet het uitvalsrisico toch beperkt blijven. Tegelijkertijd neemt de productie bij het ouder worden af (zie figuur 1) en kan dat reden zijn om de koe af te voeren. Of omdat ze vanwege problemen teveel tijd en geld kost om in productie te houden. 

Uitval verschilt per lactatie
Problemen zijn deels leeftijdsgebonden en dat betekent dat voor elke leeftijdsgroep andere aandachtspunten gelden en andere (preventieve) maatregelen. Om de uitval laag te houden is het belangrijk om te weten welke problemen de uitval veroorzaken en wanneer ze zich voor kunnen doen. Uit praktijkonderzoek weten we dat het uitvalsrisico bij de vaarzen gemiddeld gesproken wat groter is, bij de 2e kalfskoeien wat lager, om daarna weer toe te nemen tot uiteindelijk 100% bij de oudste koeien. Hoe hoger het vervangingspercentage hoe eerder de 100% wordt bereikt. Het eerste wat bij duurzame koppels in de praktijk opvalt is, dat de uitval in de eerste lactaties flink afneemt. De oorzaak ligt vaak in de opfok en in de transitieperiode naar de eerste lactatie. De effecten van maatregelen zijn al op korte termijn zichtbaar. Het aantal koeien dat probleemloos aan de productietop in de 4e/5e lactatie komt wordt daardoor groter. Daar valt ook de grootste winst te behalen. Omdat vanaf de 6e lactatie de problemen toch snel toe kunnen nemen en de productie lager wordt, zien we vaak een sterke uitval in de 6e en 7e lactatie.

Wanneer in de lactaties afgevoerd?
Kijken we naar de kans op afvoer binnen een lactatie, dan blijkt die per leeftijdsgroep en per afvoerreden te verschillen. Dat is een belangrijk gegeven omdat het kan helpen op het juiste moment aan de juiste dieren aandacht te besteden. Deze vorm van risicobeheersing zou een normaal onderdeel uit moeten maken van het veestapelmanagement. In tabel 2 is aangegeven welke problemen zich doorgaans het vaakst voordoen in de loop van een lactatie.

Risicobeheersing
Aan de basis van een langere levensduur staan een goede gezondheid en vruchtbaarheid en een goede productie tot op hogere leeftijd. Of en wanneer die in gevaar komen en de levensduur kunnen bedreigen, hangt samen met de verschillende factoren die daarop van invloed zijn. Daarvoor is een bedrijfsanalyse belangrijk: het brengt de sterke en zwakke punten in beeld en biedt aangrijpingspunten voor maatregelen in het kader van de risicobeheersing. De belangrijkste aangrijpingspunten liggen in de fokkerij, huisvesting en klimaat, voeding, verzorging en management (KBL-principe®)
Voor vaarzen zijn een te lage productie, een slechte melkbaarheid (karakter), tegenvallende bevruchtingsresultaten en problemen met klauwen en benen de belangrijke afvoerredenen. Wanneer deze problemen zich al in de eerste lactatie voordoen zijn de oorzaken daarvan meestal terug te voeren op de fokkerij, de jongveeopfok en de transitie naar de eerste lactatie. Een lage productie a
ls vaars hoeft niet te betekenen dat ze op latere leeftijd geen goed productie kan bereiken. Bij laatrijpe koeien kan de productie nog flink doorstijgen, maar fokken op laatrijpheid is alleen zinvol als de koeien ook daadwerkelijk kans krijgen om oud te worden onder de gegeven bedrijfsomstandigheden. Maar er is nog te weinig bekend over de relatie tussen laatrijpheid en het uitvalsrisico in de achtereenvolgende lactaties. Een ander punt van aandacht is het gebruik van genomics. De spreiding in fokkerijresultaten neemt toe. Dat vraagt extra aandacht in het kader van de risicobeheersing ten behoeve van de levensduurverlenging. Tot slot is het zinvol om goed na te gaan hoeveel jongvee moet worden aangehouden zonder extra risico te lopen.  Bij oude veestapels is weliswaar minder jongvee nodig maar de kans bestaat ook dat in korte tijd relatief veel oudere koeien moeten worden afgevoerd en er te weinig pinken beschikbaar zijn. Het aanhoud- en afvoerbeleid moeten daarom worden uitgewerkt in samenhang met de andere maatregelen voor levensduurverlenging.

Conclusies
In hoeverre de levensduur verlengd kan worden wordt bepaald door de situatie op het eigen bedrijf:
- Welke type koe wordt gehouden?
- Hoe is de staat van de stal en de inrichting?
- Is het management afgestemd op de de veestapel en het doel van de levensduurverlenging?
- Hoe is het productieverloop van de koeien gedurende de achtereenvolgende lactaties?
- Wat zijn de belangrijkste redenen dat de koeien worden afgevoerd?
- Wat is het uitvalsrisico in de verschillende leeftijdsgroepen?

Aanpak
Om een goede start te maken met de levensduurverlenging en alle voordelen daarvan ook daadwerkelijk te kunnen benutten, is het aan te bevelen een risicoanalyse uit te laten voeren. De specialisten van Valacon zetten hun jarenlange ervaring graag in om u daarbij helpen.

Volg ons ook bij het project MOVAM

 

 

 

 
         
 
Valacon B.V.
Lindendijk 32
5491 GB Sint-Oedenrode
Tel.: +31(0)654 268 292
PRIVACY-VERKLARING AVG

ALGEMENE LEVERINGSVOORWAARDEN
Handleiding Duurzaam Melkvee Management
Valacon B.V. staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder nummer 63621509
BTW: NL8553.18.594.B01